Klanten Sdu staan voor een gesloten loket

Gepubliceerd op

2015 Eric SBOWie over kennisintensieve onderwerpen schrijft—bijvoorbeeld het Nederlandse belastingstelsel—kent de feiten, de dwarsverbanden en zijpaadjes en weet waar de valkuilen liggen. Zonder die kennis is het niet mogelijk een serieuze aanbieder van content over zo’n onderwerp te zijn. Een aantal uitgeverijen is erin geslaagd een stap verder te gaan dan het aanleveren van content: zij bouwden een software-schil rond de content die zij leveren. Die uitgeverijen leveren content en software aan de afnemers/gebruikers van hun uitgeefproducten; ik gebruik hier het woord ‘afnemers’ omdat ‘lezers’ de lading niet meer dekt. Daarmee druk ik ook uit dat de relatie tussen de uitgever en de afnemer is veranderd. De software van de uitgever is—in het gunstigste geval—een onmisbaar gereedschap/een tool geworden in het primaire proces van de afnemer. Een hechtere band—met alle commerciële mogelijkheden van dien—is het gevolg. Uitgeverijen die handig omgaan met die hechtere band krijgen meer inzicht in de wensen van hun afnemers en kunnen met dat inzicht hun tools nog beter afstemmen op de behoeftes van de klanten. Er komt in dat zichzelf herhalend proces een moment waarop de afstemming van de software op de wensen van de klant commercieel interessanter wordt dan de content zelf; op dat moment kan de content bij een derde partij/uitgever ingekocht worden. De uitgeverij is dan software-leverancier geworden met een steeds steviger positie in het primaire proces van de afnemer. Wolters Kluwer is daarin—onder leiding van Nancy McKinstry—zeer succesvol. Ook andere uitgeverijen, waaronder ReLex (Elsevier) en Sdu Uitgevers, bewandelen deze weg met succes. Overigens maken de genoemde uitgeverijen ook nog steeds klassieke (digitale) uitgeefproducten. Tot zover het goede nieuws.

Sdu Belasting Office

In het ‘slechte’ nieuws speelt Sdu Uitgevers (verder: Sdu) een belangrijke rol. Begin juli bracht deze uitgeverij naar buiten per 2016 te zullen stoppen met Sdu Belasting Office (SBO), software voor de fiscale aangifte, vooral in gebruik bij accountantskantoren. De aangifte over 2015 zal in 2016 niet met SBO kunnen worden gedaan Bij die beslissing van de uitgeverij heeft meegespeeld dat de software—naar de eisen van deze tijd, of, zo men wil, naar de waan van de dag—zou moeten migreren van de Windows- naar de cloud-versie. Anders gezegd: Sdu vindt dat het platform waarop SBO draait de grenzen van technologische houdbaarheid nadert.

Voorzover mij bekend zijn er maar een handjevol leveranciers van deze specifieke software. De ongelukkige samenloop van omstandigheden—buiten de invloedsfeer van Sdu—doet zich voor, dat ook een andere aanbieder van een soortgelijk product zijn twee bestaande softwarelijnen vervangt door één nieuwe. Dan ‘zijn de rapen gaar’: op het blog van ‘Accountancy van Morgen’ wordt gesproken van ‘crisisoverleg’ met SRA, een netwerkorganisatie van 370 zelfstandige accountantskantoren met 900 vestigingen in Nederland. In het blog staat: “in dit najaar moeten enkele duizenden kantoren met miljoenen aangiftes (gedwongen) migreren naar een nieuw pakket”.

Zwartepieten kent geen winnaars

Ik belde met Sdu om hun versie van het verhaal uit de eerste hand te horen en kreeg keurig houtsnijdende antwoorden op mijn vragen. Sdu heeft aangegeven er alles aan te doen om de ‘gedupeerden’ te helpen, maar blijft bij het standpunt dat er geen software komt voor de aangifte over 2015. Het zwartepieten begint: op het blog Accountancy van Morgen heet het: “Zij [de softwareleveranciers/uitgeverij; ER] behandelen het als een technisch probleem en niet als een verandertraject met alle complexiteit die daarbij komt kijken”. Eerder stelde de auteur van het blog al: “… dat de softwareleveranciers hier veel te lichtvaardig tegenaan kijken”.

Hoe reëel het is dat de SBO-afnemers van hun toeleverancier verwachten dat hij, ongeacht de marktomstandigheden, door gaat met serviceverlening? Hadden de accountants zelf moeten inzien dat het aantal aanbieders van de software tot een onverantwoord laag aantal was geslonken en dat dat hen kwetsbaar maakt? Had Sdu eerder moeten bedenken dat de ICT-ontwikkelingen—migratie naar de cloud—vroeg of laat ook hun producten zou raken? Heeft een uitgeverij van de omvang van Sdu iemand in dienst die dit soort ontwikkelingen volgt en daarover rapporteert? Hoe naïef is het van de accountants om te denken dat financiële motieven geen rol spelen bij toeleveranciers?

Allemaal vragen waarop ik de antwoorden niet heb, maar die wèl van belang zijn voor uitgeverijen die andere producten willen leveren dan de klassieke uitgeefproducten.

Kassa: € 30 miljoen bespaard

Gepubliceerd op

Kort geleden werd het Papiervezelconvenant tussen de Stichting Papier Recycling Nederland en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten voor de vijfde maal verlengd. Dit convenant treedt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2015 in werking tot 31 december 2018. Het papiervezelconvenant bespaart uitgeverijen op jaarbasis dertig miljoen euro. Eric Ravestijn vraagt Erik Timmermans, directeur van de Stichting Informatiecentrum Papier en Karton, uit te leggen hoe die besparing gerealiseerd wordt.

Om maar direct met de deur in huis te vallen: hoe zit dat met die besparing van dertig miljoen euro op jaarbasis?
Timmermans: “Die 30 miljoen euro is het verschil tussen een gezamenlijk gedragen verantwoordelijkheid—uitgewerkt in het papiervezelconvenant—en een systeem waarbij sprake is van een permanente afvalbeheerbijdrage zoals die geldt voor papieren en kartonnen verpakkingen. Zou zo’n afvalbeheerbijdrage ook voor grafische producten gelden, dan zouden de jaarlijkse kosten voor de branche ruim 30 miljoen euro bedragen.”

Geldt die besparing ook voor kleinere uitgeverijen?
Timmermans: “Jazeker. Bij een permanente  afvalbeheerbijdrage zouden ook kleinere uitgeverijen daaraan—naar rato—moeten bijdragen. Ook zij hebben dus baat bij het Papiervezelconvenant.”

Op welk deel van de afvalstroom van papier en karton heeft het Papiervezelconvenant betrekking?
Timmermans: “Het Papiervezelconvenant heeft betrekking op een deel van die afvalstroom. Ten eerste is het convenant beperkt tot het huishoudelijke papieren afval. Ten tweede gaat het alleen om niet-verpakkingen. Het gaat om grafische producten zoals tijdschriften, kranten, folders; producten van grote en kleinere uitgeverijen. Ook hygiënepapier zoals tissues en keukenrolpapier, en andere producten vallen onder de huishoudelijke niet-verpakkingen.“

Wat moet ik me voorstellen bij ‘andere producten’?
Timmermans: “Gebruiksaanwijzingen van allerlei producten bijvoorbeeld; maar ook bordspellen, bakpapier, kassabonnen, bierviltjes, et cetera. We realiseren ons nauwelijks hoeveel papier we dagelijks gebruiken.”

Hoeveel is er na deze beperkingen nog over van de totale papieren huishoudelijke afvalstroom?
Timmermans: “De stroom—ingezameld en gerecycled—papier en karton uit huishoudens bestaat voor ongeveer driekwart uit niet-verpakkingen en voor ongeveer een kwart uit verpakkingen van papier en karton. Het aandeel niet-verpakkingen is dus aanmerkelijk groter.”

Wat is het doel van het papiervezelconvenant?
Timmermans: “Het doel is om de inzameling en het hergebruik van oud papier te stimuleren en continu—onder alle omstandigheden—op een zo hoog mogelijk niveau te houden.”

Je zei net ‘onder alle omstandigheden’. Waarom die toevoeging?
Papier inzamelen is doorgaans een lucratieve bezigheid. Oud papier is geld waard; de waarde wordt bepaald—net als bij andere producten—door vraag en aanbod. Circa een derde van ons ingezameld oud papier wordt geëxporteerd.  Die export zorgt mede voor een hogere oud papierprijs. De inzameling is van groot belang. Zo heeft ruim 80 procent van het in Nederland gemaakte nieuwe papier en karton oud papier als grondstof. Als de prijs van oud papier te laag is, kan de inzameling ervan in gevaar komen. De opbrengstprijs is dan niet hoog genoeg om de kosten van inzameling te dekken. Naast het milieu zouden vele bedrijfstakken en gemeenten hier schade van ondervinden.
Dit gevaar werd erkend door de papierketen en daarom werd in 1998 PRN opgericht: een collectieve uitvoeringsorganisatie van het privaat-publieke inzamel- en herverwerkingssysteem van papier en karton.”

Het papiervezelconvenant is een afspraak tussen de Stichting Papier Recycling Nederland en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Op welke wijze dragen zij bij aan het verwezenlijken van de doelstelling?
Timmermans: “De inzameling bij huishoudens is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de gemeenten. Zij bepalen of, en hoe, verenigingen, (sport)clubs, scholen en kerken—al dan niet in samenwerking met professionele oud papierondernemingen—het oud papier inzamelen. Gemeenten zorgen ervoor dat wij ons oud papier en karton eenvoudig kunnen inleveren.
Stichting Papier Recycling Nederland (verder: PRN) monitort maandelijks de ingezamelde tonnen oud papier bij de aangesloten gemeenten en oud papierondernemingen. PRN rapporteert de resultaten van de monitor jaarlijks aan het ministerie van Infrastructuur & Milieu. De taken van PRN liggen vast in het Papiervezelconvenant.”

ConvenantHoe zorgt PRN ervoor dat de prijs van oud papier op peil blijft?

Timmermans: “Het PRN-systeem bevat twee belangrijke instrumenten: een afnamegarantie en een afzetgarantieprijs.
De Nederlandse papier- en kartonindustrie heeft in een overeenkomst met PRN vastgelegd dat zij in tijden van permanente lage internationale marktprijzen voor oud papier, het ingezamelde oud papier uit huishoudens en bedrijven zal afnemen. Het gevolg van deze afnamegarantie is dat oud papierondernemingen—verenigd in de Federatie Nederlandse Oudpapier Industrie (FNOI)—en gemeenten hun werkzaamheden onder alle omstandigheden kunnen voortzetten. De papierkringloop is met de afnamegarantie aan de basis geborgd. Voorts is een afzetgarantieprijs afgesproken voor oud papier. De afzetgarantieprijs zorgt ervoor dat oud papierondernemingen en gemeenten blijven inzamelen en verwerken, ook als de marktprijs van oud papier (te) laag is en deze de kosten van inzameling en verwerking niet meer dekt. In dat geval is sprake van een deficit. Het verschil tussen de marktprijs en de gegarandeerde prijs wordt in geval van een deficit betaald uit een fonds dat wordt gevuld door de PRN-partners die papieren en kartonnen producten—niet zijnde verpakkingen—op de markt brengen, zoals uitgeverijen en drukkerijen. Zij betalen op basis van het papier/kartongewicht van hun producten een bijdrage aan het fonds. De laatste keer dat het fonds van PRN voor een deficit geopend werd, was in 2009. Uit het fonds wordt naast het deficit ook het bureau van PRN (3 fte) bekostigd. Voor die systeemkosten wordt een maal per convenantperiode een heffing gedaan, wederom bij de ketenpartijen die papieren en kartonnen producten – niet zijnde verpakkingen – op de markt brengen.

Uitgeverijen betalen dus wèl!

Timmermans: “Ja. Voor de situatie waarin sprake is van een deficit geldt dat een heffing plaatsvindt. Zoals ik zei was de laatste maal dat er een beroep gedaan moest worden op het fonds voor een deficit in 2009. Een permanente afvalbeheerbijdrage zou jaarlijks veel meer kosten met zich meebrengen.
Het PRN-systeem is een solide vorm van samenwerking, die efficiënt, tegen relatief lage kosten en met beperkte administratieve lasten werkt. Het resultaat is dat Nederland al jaren in de wereldtop staat op het gebied van papierrecycling!”